Iedere nacht droomde Roanna dezelfde droom.
Er waren subtiele verschillen; zoals de jaargetijden die zich zonder
regelmaat afwisselden, de kleuren van de lucht en het stromen van de
rivier. Maar haar gevoelens en gedachten volgden immer dezelfde
patronen en lijnen, tussen die veranderlijke landschappen.
Ditmaal was het winter. Een dikke, lome deken van poedersneeuw bedekte
de oevers van de rivier terwijl Roanna er langs slenterde – zoals
gewoonlijk in haar luchtige nachtjapon van zijde en kant. Koud had ze
het niet; de sneeuw was aangenaam zacht aan haar blote, fijne voeten.
Haar modieuze lilakleurige nachtkledij wapperde fier in de bries die
vanuit de bergen over de rivier waaide, maar het deerde Roanna niets.
Ze zuchtte en glimlachte gelukzalig terwijl ze haar lange donkere haren
losschudde uit de staart waar ze ze altijd in vlocht, voordat ze zich
ter ruste legde in haar hoge toren van het marmeren paleis.
Ze hield een moment stil om een ragfijn spinnenweb te bekijken dat in
struiken langs het pad hing; een grote gele kruisspin zat in het midden
ervan, roerloos te wachten op een prooi. Sneeuwvlokken sierden het web
op verschillende plaatsen, en de laaghangende purperen zon die in de
rivier weerkaatste, brak in de kristallen. Het was een beetje
griezelig, maar tevens ook een wonderschoon aanzicht. Hoe kon een droom
zo levendig zijn, zo echt?
Toen ze was opgestaan – minuten of uren geleden? – had
ze, zoals altijd, niet geweten of ze droomde of waakte. Pas toen ze de
satijnen gordijnen opzij schoof, en de oude stad onder de laaghangende
roze wolken aanschouwde, wist ze het. Ze ontwaarde de zwarte toren een
kilometer of vijf landinwaarts, richting de besneeuwde bergen. In mist
gehuld verhief het granieten bouwwerk zich naar de hemelen –
geheimzinnig en aanlokkelijk. Roanna wist wie er daar op haar wachtte.
De toren bestond niet in de stad van de wakende wereld. Hij was er
alleen in haar droom. En in zíjn droom, daar was Roanna van verzekerd.
Verder was er niets dat haar kon vertellen waar de realiteit eindigde,
en waar de droom begon. Misschien – misschien was de droom mooier.
Levendiger kleuren, idealer weersomstandigheden… Geen koude noordenwind
maar een heerlijke bries; geen ijzige sneeuw maar een fluweelzacht
tapijt.
En geen zorgen, geen verplichtingen, geen bediendes die haar nimmer met
rust lieten. Geen strenge, afstandelijke ouders met kouder harten dan
de sneeuw onder haar voeten had moeten zijn. Niet het vooruitzicht van
een voorbestemd, politiek huwelijk dat ze niet wilde met een oude,
norse man die ze nauwelijks kende. Een koning, van het nabijgelegen
buurland. Roanna zou een koningin zijn. Ze ging een nog moeizamer leven
tegemoet: een nog leger, eenzamer bestaan dan ze nu al had in de
wakende wereld – die vijandige chaos die men ‘realiteit’ noemde.
Neen, Roanna droomde liever. En gelukkig was ze iedere
nacht verzekerd van een prachtige, rustgevende wandeling in de volle
schoonheid van het weidse, natuurvolle landschap dat de stad omringde.
Aangetrokken door de zwarte toren die ze vanuit het venster van haar
vertrekken kon zien, wandelde ze er in alle vrede heen. Toch joeg het
eeuwenoude bouwwerk – minstens even lang geleden gebouwd als het paleis
van haar vader de koning – haar ook angst aan. Duizenden malen sinds ze
een klein dartel meisje was geweest dat de waarde van de droom nog niet
begreep, gelukkig in onwetendheid en onschuld, had ze aan de zware,
bewerkte houten poort gestaan van de duistere doch sierlijke toren.
Twee ringen, vastgehouden door de bek van twee vroom rondstarende
leeuwenkoppen, dienden als deurklopper. Één op elke helft van de poort.
En Roanna fantaseerde vaak met een ongerieflijk gevoel, dat de gouden
ogen van de leeuwenkoppen haar in de gaten hielden. Ze wist met
stellige zekerheid dat wanneer ze één van de kloppers zou opheffen en
tegen de koperen plaat eronder zou bonzen, de deur onmiddellijk open
zou gaan. Ze wist wie daarachter op haar wachtte – en toch durfde ze
het niet. Ze dorst niet om de stap te wagen – de stap die haar droom
echter dan de werkelijkheid zou maken. Ze wilde hem niet onder ogen
komen; prinses Roanna had het recht niet, ze had hem in levende lijve
nooit een blik waardig gegund. Altijd had ze hem vanuit haar ooghoeken
in zich opgenomen, had ze hem aangestaard vanachter een sluier, of hem
bespied vanuit de koets. Hij was er altijd, de zwerver. Ergens in de
stad, nabij het paleis of op de bazaar; rustend onder een standbeeld of
tussen de poten van een sfinx; of liggend in een boog van een veranda.
Maar hij was er, jammer genoeg, nooit in de droom. Niemand was er; en
dat was de pracht ervan. Maar Roanna wist diep in haar hart dat ze
wilde dat de zwerver er was. Zijn schamele uiterlijk, in lompen gehuld,
zijn stoppelbaard en zijn afgetrapte schoeisel dat waarlijk al vele
landen bewandeld moest hebben, deerden haar in werkelijkheid niets. Ze
moest echter haar neus optrekken, hem minachtend aankijken en snel –
ongeïnteresseerd – weer haar blik afwenden.
Maar ze wás geïnteresseerd in de zwerver. Ze wist dat hij zijn reizen
had gestaakt om in de stad te zijn waar zij toefde. Ze wilde horen
welke landen en gebieden hij allemaal had bezocht, en welke avonturen
hij had beleefd en gevaren overwonnen. En hij zou zeggen: ‘Dat is nu
allemaal voorbij, want jij bent nu hier bij me en ik zal nimmer weer
wegtrekken. Mijn grootste belevenis zal een gedeeld leven met jou zijn.’
Roanna’s grootste wens was dat de zwerver, die naamloze,
knappe vreemdeling achter die zware eikenhouten poort op haar wachtte,
in de zwarte droomtoren. Maar ze durfde niet aan te kloppen. Haar hart
vertelde haar dat hij al wist dat ze voor zijn deur stond; en in haar
ziel hoorde ze zijn smartelijke kreten. Alsjeblieft, Roanna! Al sinds
je dat kleine meisje was sloeg ik je gade – een jong weesje, gedoemd te
zwerven, te bedelen en kooplieden te bestelen van hun rot fruit! Maar
jij was waarvoor ik bleef leven, en steeds weer terugkeerde naar de
stad…
Hij wilde dat ze zou binnentreden in zijn toren, dezelfde toren
waarover híj droomde – de toren die er door hun zwijgende verwantschap
van blikken en mijmeren, fantaseren en peinzen was opgetrokken in hun
gezamenlijke droomlandschap. Hoe wist ze dat? Hoe wist ze dat hij
hetzelfde voelde voor haar… het verlangen, de pijn van een gescheiden
leven dat voor beiden op een zo andere wijze ondraaglijk was? Die
innige, onvoorwaardelijke genegenheid die ze voelde, en die zo
gemakkelijk af te lezen was in die donkere ogen onder zijn ongewassen,
onstuimige haardos? Was dat… die liefde op het eerste gezicht (want oh
ja, als klein meisje had zij hem ook zeker gezien, en bewonderd; ook al
had ze het pas meer dan een decennium later aan zichzelf toegegeven –
en dan nog wel enkel in een droom!), die sprookjesachtige band die
leven en dood oversteeg… de emotie waar dromen van gemaakt werden, die
bergen verzette, die magie was?
Roanna was nu weer aangeland bij die poort. Ze had de
treden van het terras bestegen, en stond op de besneeuwde drempel
tussen haar droom en de zijne. In de wakende wereld voelde ze de warme
rode zomerzon op haar ontblote huid schijnen door haar venster in het
paleis; maar hier was er enkel de zachte bries, de frisse winterlucht
en het lieflijke poeder dat haar tenen omringde.
De prinses zuchtte. Weldra zouden haar bedienden haar komen wekken in
hun traditionele processie, zouden ze haar schalen met fruit en brood
en wijnen brengen, zouden ze haar baden in welriekende parfums en
oliën, en zou ze door haar vader en moeder gedwongen worden deel te
nemen aan banketten en plechtigheden en bijeenkomsten. Aanstonds moest
ze zich weer begeven in die holle wereld van grandeur en eenzaamheid
waar ze nooit om gevraagd had. Spoedig zou ze moeten trouwen met die
afzichtelijke en bovenal liefdeloze man, en zou haar leven haar als nóg
minder vrij, nóg beperkender toeschijnen.
Alleen de droom zou haar uitkomst bieden. In de gehele oude stad, het
gehele prachtvolle landschap van veranderlijke kleuren en seizoenen, en
in de hele droomwereld, zou ze alleen zijn – en toch ook niet. Nooit
voelde ze zich hier eenzaam – want híj wachtte op haar in zijn
granieten toren. Wachtte tot ze de moed vergaard had om hem er te
bezoeken, en om eindelijk de laatste stap te zetten. Om nimmer terug te
keren naar de wakende wereld, maar hier te blijven. In de droom.
Ver, heel ver weg hoorde ze de fluisteringen van de
bedienden, en voelde ze dat zij haar met hun zachte vingertoppen
aanraakten, ten einde haar te wekken. Ze voelde de levendige omgeving
van de droom vervagen, terwijl haar lichaam langzaam wakker werd. Ze
zou terugkeren naar die nachtmerrie, dat vreugdeloze en holle bestaan…
Het zou pas weer weken duren voordat ze met een smoes naar de bazaar
kon gaan; of misschien slechts dagen als een officiële gelegenheid haar
naar de tempel voerde. Misschien was hij daar dan wel: geleund tegen de
sierkantelen van de muur, of liggend op het koepeldak voor hij er vanaf
gejaagd zou worden. Met een beetje geluk kon ze dan een moment in zijn
ogen kijken…
Want hier, in de droom, waar hij dichterbij was dan ooit,
had ze de kracht niet om hem te bezoeken. Ze wist dat het voor eeuwig
zou zijn. Maar wat had ze te verliezen? Ze zou met hem samen zijn… zijn
verhalen kunnen horen… Zij zou voor hem kunnen zingen, en de harp
bespelen… ze zouden samen langs de rivier kunnen wandelen onder de
laaghangende paarse wolken, en van de flakkerende lichtjes van de
verlaten stad genieten.
Ze zou zich niet schamen voor het feit dat ze slechts gekleed ging in
haar nachtjapon en dat haar fijngevormde voeten niet getooid gingen met
duur schoeisel; ze zou zich er vrij en veilig in voelen, met hem aan
haar zijde. Ze zou hem het spinnenweb laten zien, en als hij het
aandachtig bekeek zou ze zijn arm voorzichtig vastpakken en zich tegen
hem aandrukken. Hij zou zich naar haar omdraaien, haar een zacht kus op
haar neus geven en haar knuffelen…
En ze zouden nog lang en gelukkig leven. Dát was voorbestemd; dat was
de kracht van hun onvoorwaardelijke liefde die grenzen en rijkdom en
klassen overschreed – en leven en dood. Het was hun genegenheid die dit
landschap had doen ontstaan en haar onderhield, hun energie die haar
stoffelijk maakte in de droomwereld. En zijn zwartgranieten toren met
de zware poort beschermde haar, want erachter lag geen weg terug meer.
Dan was er slechts hun wereld, hun droom, henzelf. Niets anders meer –
en Roanna wist het.
Prinses, U moet wakker worden… hoorde ze van ver weg. Hoe
vaak nog zou ze het ontwaken verdragen? Hoe lang nog zou ze haar holle
bestaan kunnen aanvaarden, in de spiegel kunnen aanzien hoe het licht
in haar ogen vervaagde en hoe haar leven wegsijpelde, haar ziel
wegkwijnde – hoelang nog zou ze enkel leven om terug te keren naar de
droom?
Ruw werd er aan haar arm geschud. Haar bedienden vreesden
de koning nog meer dan de prinses; Roanna’s nukkigheid en misprijzen
verbleekten bij de gramschap van haar vader. En de koning zou zeker
vertoornd zijn, wanneer de bedienden haar te laat aan het hof brachten
voor gezamenlijk ontbijt.
De weldadige bries zwol aan tot een huilende storm, en sneeuwkristallen
daalden op haar neer, stekend als naalden. De purperen gloed van de zon
vlak boven de bergen, en de zilveren schitteringen in de rimpelende
rivier groeiden tot een koud, witgeel licht dat van de werkelijkheid
door een spleetje stroomde in haar zich openende oogleden. De kalme,
roze wolken die zich traag vermengd en rondgewenteld hadden, pakten
zich samen tot een solide plafond dat haar verstikte en angstig maakte.
Haar droomwereld – hun droomwereld – werd ruw verstoord, dacht ze
verdrietig; vernietigd door een realiteit die Roanna plotsklaps als
kwaadaardig en onrechtvaardig toescheen.
Ze aarzelde nog een moment, en toen hoorde ze de stem van
de zwerver weer in haar geest: Alsjeblieft, Roanna, laat ons niet nog
langer wachten… voeg je bij mij, en laat ons hier in vrede toeven!
De jonge vrouw die nimmer meer een prinses wilde zijn en nooit meer
beroofd van haar dromen, haalde diep adem en stak haar ranke vingers
uit naar de linker deurklopper. De ogen van de leeuwenkop keken haar
goedaardig aan; de gouden pupillen glansden met het geruststellende
purper van de droomzon. De bek van de koperen kop vertrok zich in een
goedkeurende grijns toen Roanna, niet langer bevreesd, met de bol die
onderaan de ring zat op de deur bonsde.
De stemmen aan de andere kant van de sluier van het
bestaan klonken nu steeds ongeruster, maar stierven toen weg; overstemd
door het galmende geluid van de deurklopper. Het koude, witgele licht
om Roanna heen vervaagde naar het zachte, warme oranje als van zonlicht
dat door haar gesloten oogleden vloeide. Toen braken de lieflijke
paarse stralen van de droomzon weer door een gat in het kolkende
donkerroze wolkendek, en in de wakende wereld sloten Roanna’s oogleden
zich voor eeuwig.
In het droomlandschap met de zwarte toren keerde de rust
terug; de koude wind ging liggen en de laatste sneeuwvlokken dwarrelden
naar de grond. En met een donderend geraas en snerpend piepende
scharnieren opende de oeroude poort van de zwarte toren zich. De
leeuwenkoppen keken haar beiden aan toen ze naar binnen zwenkten, hun
respectievelijke deuren door een onzichtbare hand geleid.
Toen de stilte was wedergekeerd, hoorde Roanna nog de echo wegebben van
haar verwoedde kloppen op de deur. Langzaam vermengde het zich met het
rustig kabbelen van de zilveren rivier, en het ruisen van een zacht
briesje.
De hal achter de poort was donker en leeg; rijen met
bewerkte zuilen vormden een uitnodigende gang, en Roanna bemerkte dat
ze geen angst of ongerief meer kende. Slechts nieuwsgierigheid, hoop en
zielsrust restten haar. Ze betrad de toren.
“Welkom, Roanna,” sprak de zwerver toen. Niet langer in haar geest;
maar in de droom. “Ik ben blij dat je zo dapper was hier te komen.
Welkom in onze droom.” Zijn stem was mooi en vol, en er klonk een toon
in door van een jonge man die vele verhalen had verteld. Roanna
vermoedde dat veel van die verhalen gingen over een lieftallige prinses
die hij bewonderde in de stad bij de rivier, en die hij eens tot de
zijne zou maken…
De zwerver stapte achter een versierde marmeren pilaar vandaan.
Uitnodigend strekte hij zijn armen uit, en Roanna nam het gebaar aan.
Zonder haast liep ze op haar prins af – de prins van een vrouw die geen
prinses meer hoefde zijn. En zonder haast; want ze hadden nu alle tijd
van de wereld.
“Wat is deze plaats?” fluisterde Roanna zachtjes, maar haar woorden
echoden tussen de zuilen en weerkaatsten tegen de granieten muren om
een zuiver klankspel te spelen.
“Dit is de plaats die ik in jouw dromen bouwde,” antwoordde de zwerver. “Waar ik op je wachtte.”
Ze glimlachte gelukkig. “Je hoeft niet langer te wachten; doch het spijt me dat het zo lang duurde. En nu?”
De zwerver beantwoorde haar betekenisvolle blik, en hield zijn hoofd schuin. “Wat we maar willen,” antwoordde hij.
“Ik wil je naam weten,” verklaarde Roanna, maar stak direct een slanke
vinger uit om tegen zijn lippen te drukken. “Maar nog niet!”
waarschuwde ze dartel. Een spel zou alles des te zoeter maken. “Eerst
wil ik je iets laten zien.” Ze nam voorzichtig zijn hand, als om de
betovering van het moment, de droom der dromen, niet te verstoren.
“Wat wil je me laten zien?” vroeg hij belangstellend, terwijl ze hand
in hand, zij aan zij in de richting van de poort liepen. Buiten was het
plotsklaps herfst geworden; dezelfde paarse zon schitterde in de nu
speels stromende rivier, maar in plaats van sneeuw lag er nu een tapijt
van bladeren. Kleurige paddestoelen staken er doorheen, en elfenbankjes
gedijden aan de schors van bomen.
“Een spinnenweb,” beantwoordde ze zijn vraag geheimzinnig. Ze lachte hardop, gelukzalig en vrij. “En de rest van mijn droom!”
Een vlinder fladderde voorbij, en de twee geliefden keken het diertje
een hele tijd na voordat ze hun weg langs de rivier vervolgden. Ze
hadden van nu af aan alle tijd, die ze maar nemen wilden.
In de wakende wereld treurde het volk van de stad nog
lang om de mooie, lieflijke prinses Roanna met de gouden stem – wiens
hart zo plotsklaps, tijdens haar ontwaken, tot stilstand was gekomen.
Veel minder mensen rouwden om de zachtaardige, bereisde zwerver die aan
de voet van het altaar in de tempel werd gevonden door een priester.
Toch zouden ook veel arme sloebers en marktlieden zijn verhalen en zijn
streken missen.
Er was niemand die het verband zag tussen de twee zo
verschillende jonge lieden die op hetzelfde ogenblik hun lege
werkelijkheid hadden verruild voor de rijke eeuwigheid. Er was niemand
die wist hoe gelukkig zij nu waren, samen in hun droom. Dat deerde
Roanna en haar prins niets: ze hadden hun rust eindelijk gevonden. En
elkaar.