login: wachtwoord:
registreren, wachtwoord vergeten?
Hoi Lezer, start, vertellers, over deze site


Kort verhaal door Elayne Moirainn van 13/12/2007:

Het moment van dromen . . .

 

Iedere nacht droomde Roanna dezelfde droom.
Er waren subtiele verschillen; zoals de jaargetijden die zich zonder regelmaat afwisselden, de kleuren van de lucht en het stromen van de rivier. Maar haar gevoelens en gedachten volgden immer dezelfde patronen en lijnen, tussen die veranderlijke landschappen.
Ditmaal was het winter. Een dikke, lome deken van poedersneeuw bedekte de oevers van de rivier terwijl Roanna er langs slenterde – zoals gewoonlijk in haar luchtige nachtjapon van zijde en kant. Koud had ze het niet; de sneeuw was aangenaam zacht aan haar blote, fijne voeten. Haar modieuze lilakleurige nachtkledij wapperde fier in de bries die vanuit de bergen over de rivier waaide, maar het deerde Roanna niets. Ze zuchtte en glimlachte gelukzalig terwijl ze haar lange donkere haren losschudde uit de staart waar ze ze altijd in vlocht, voordat ze zich ter ruste legde in haar hoge toren van het marmeren paleis.
Ze hield een moment stil om een ragfijn spinnenweb te bekijken dat in struiken langs het pad hing; een grote gele kruisspin zat in het midden ervan, roerloos te wachten op een prooi. Sneeuwvlokken sierden het web op verschillende plaatsen, en de laaghangende purperen zon die in de rivier weerkaatste, brak in de kristallen. Het was een beetje griezelig, maar tevens ook een wonderschoon aanzicht. Hoe kon een droom zo levendig zijn, zo echt?

Toen ze was opgestaan – minuten of uren geleden? – had ze, zoals altijd, niet geweten of ze droomde of waakte. Pas toen ze de satijnen gordijnen opzij schoof, en de oude stad onder de laaghangende roze wolken aanschouwde, wist ze het. Ze ontwaarde de zwarte toren een kilometer of vijf landinwaarts, richting de besneeuwde bergen. In mist gehuld verhief het granieten bouwwerk zich naar de hemelen – geheimzinnig en aanlokkelijk. Roanna wist wie er daar op haar wachtte.
De toren bestond niet in de stad van de wakende wereld. Hij was er alleen in haar droom. En in zíjn droom, daar was Roanna van verzekerd. Verder was er niets dat haar kon vertellen waar de realiteit eindigde, en waar de droom begon. Misschien – misschien was de droom mooier. Levendiger kleuren, idealer weersomstandigheden… Geen koude noordenwind maar een heerlijke bries; geen ijzige sneeuw maar een fluweelzacht tapijt.
En geen zorgen, geen verplichtingen, geen bediendes die haar nimmer met rust lieten. Geen strenge, afstandelijke ouders met kouder harten dan de sneeuw onder haar voeten had moeten zijn. Niet het vooruitzicht van een voorbestemd, politiek huwelijk dat ze niet wilde met een oude, norse man die ze nauwelijks kende. Een koning, van het nabijgelegen buurland. Roanna zou een koningin zijn. Ze ging een nog moeizamer leven tegemoet: een nog leger, eenzamer bestaan dan ze nu al had in de wakende wereld – die vijandige chaos die men ‘realiteit’ noemde.

Neen, Roanna droomde liever. En gelukkig was ze iedere nacht verzekerd van een prachtige, rustgevende wandeling in de volle schoonheid van het weidse, natuurvolle landschap dat de stad omringde. Aangetrokken door de zwarte toren die ze vanuit het venster van haar vertrekken kon zien, wandelde ze er in alle vrede heen. Toch joeg het eeuwenoude bouwwerk – minstens even lang geleden gebouwd als het paleis van haar vader de koning – haar ook angst aan. Duizenden malen sinds ze een klein dartel meisje was geweest dat de waarde van de droom nog niet begreep, gelukkig in onwetendheid en onschuld, had ze aan de zware, bewerkte houten poort gestaan van de duistere doch sierlijke toren. Twee ringen, vastgehouden door de bek van twee vroom rondstarende leeuwenkoppen, dienden als deurklopper. Één op elke helft van de poort. En Roanna fantaseerde vaak met een ongerieflijk gevoel, dat de gouden ogen van de leeuwenkoppen haar in de gaten hielden. Ze wist met stellige zekerheid dat wanneer ze één van de kloppers zou opheffen en tegen de koperen plaat eronder zou bonzen, de deur onmiddellijk open zou gaan. Ze wist wie daarachter op haar wachtte – en toch durfde ze het niet. Ze dorst niet om de stap te wagen – de stap die haar droom echter dan de werkelijkheid zou maken. Ze wilde hem niet onder ogen komen; prinses Roanna had het recht niet, ze had hem in levende lijve nooit een blik waardig gegund. Altijd had ze hem vanuit haar ooghoeken in zich opgenomen, had ze hem aangestaard vanachter een sluier, of hem bespied vanuit de koets. Hij was er altijd, de zwerver. Ergens in de stad, nabij het paleis of op de bazaar; rustend onder een standbeeld of tussen de poten van een sfinx; of liggend in een boog van een veranda.
Maar hij was er, jammer genoeg, nooit in de droom. Niemand was er; en dat was de pracht ervan. Maar Roanna wist diep in haar hart dat ze wilde dat de zwerver er was. Zijn schamele uiterlijk, in lompen gehuld, zijn stoppelbaard en zijn afgetrapte schoeisel dat waarlijk al vele landen bewandeld moest hebben, deerden haar in werkelijkheid niets. Ze moest echter haar neus optrekken, hem minachtend aankijken en snel – ongeïnteresseerd – weer haar blik afwenden.
Maar ze wás geïnteresseerd in de zwerver. Ze wist dat hij zijn reizen had gestaakt om in de stad te zijn waar zij toefde. Ze wilde horen welke landen en gebieden hij allemaal had bezocht, en welke avonturen hij had beleefd en gevaren overwonnen. En hij zou zeggen: ‘Dat is nu allemaal voorbij, want jij bent nu hier bij me en ik zal nimmer weer wegtrekken. Mijn grootste belevenis zal een gedeeld leven met jou zijn.’

Roanna’s grootste wens was dat de zwerver, die naamloze, knappe vreemdeling achter die zware eikenhouten poort op haar wachtte, in de zwarte droomtoren. Maar ze durfde niet aan te kloppen. Haar hart vertelde haar dat hij al wist dat ze voor zijn deur stond; en in haar ziel hoorde ze zijn smartelijke kreten. Alsjeblieft, Roanna! Al sinds je dat kleine meisje was sloeg ik je gade – een jong weesje, gedoemd te zwerven, te bedelen en kooplieden te bestelen van hun rot fruit! Maar jij was waarvoor ik bleef leven, en steeds weer terugkeerde naar de stad…
Hij wilde dat ze zou binnentreden in zijn toren, dezelfde toren waarover híj droomde – de toren die er door hun zwijgende verwantschap van blikken en mijmeren, fantaseren en peinzen was opgetrokken in hun gezamenlijke droomlandschap. Hoe wist ze dat? Hoe wist ze dat hij hetzelfde voelde voor haar… het verlangen, de pijn van een gescheiden leven dat voor beiden op een zo andere wijze ondraaglijk was? Die innige, onvoorwaardelijke genegenheid die ze voelde, en die zo gemakkelijk af te lezen was in die donkere ogen onder zijn ongewassen, onstuimige haardos? Was dat… die liefde op het eerste gezicht (want oh ja, als klein meisje had zij hem ook zeker gezien, en bewonderd; ook al had ze het pas meer dan een decennium later aan zichzelf toegegeven – en dan nog wel enkel in een droom!), die sprookjesachtige band die leven en dood oversteeg… de emotie waar dromen van gemaakt werden, die bergen verzette, die magie was?

Roanna was nu weer aangeland bij die poort. Ze had de treden van het terras bestegen, en stond op de besneeuwde drempel tussen haar droom en de zijne. In de wakende wereld voelde ze de warme rode zomerzon op haar ontblote huid schijnen door haar venster in het paleis; maar hier was er enkel de zachte bries, de frisse winterlucht en het lieflijke poeder dat haar tenen omringde.
De prinses zuchtte. Weldra zouden haar bedienden haar komen wekken in hun traditionele processie, zouden ze haar schalen met fruit en brood en wijnen brengen, zouden ze haar baden in welriekende parfums en oliën, en zou ze door haar vader en moeder gedwongen worden deel te nemen aan banketten en plechtigheden en bijeenkomsten. Aanstonds moest ze zich weer begeven in die holle wereld van grandeur en eenzaamheid waar ze nooit om gevraagd had. Spoedig zou ze moeten trouwen met die afzichtelijke en bovenal liefdeloze man, en zou haar leven haar als nóg minder vrij, nóg beperkender toeschijnen.
Alleen de droom zou haar uitkomst bieden. In de gehele oude stad, het gehele prachtvolle landschap van veranderlijke kleuren en seizoenen, en in de hele droomwereld, zou ze alleen zijn – en toch ook niet. Nooit voelde ze zich hier eenzaam – want híj wachtte op haar in zijn granieten toren. Wachtte tot ze de moed vergaard had om hem er te bezoeken, en om eindelijk de laatste stap te zetten. Om nimmer terug te keren naar de wakende wereld, maar hier te blijven. In de droom.

Ver, heel ver weg hoorde ze de fluisteringen van de bedienden, en voelde ze dat zij haar met hun zachte vingertoppen aanraakten, ten einde haar te wekken. Ze voelde de levendige omgeving van de droom vervagen, terwijl haar lichaam langzaam wakker werd. Ze zou terugkeren naar die nachtmerrie, dat vreugdeloze en holle bestaan… Het zou pas weer weken duren voordat ze met een smoes naar de bazaar kon gaan; of misschien slechts dagen als een officiële gelegenheid haar naar de tempel voerde. Misschien was hij daar dan wel: geleund tegen de sierkantelen van de muur, of liggend op het koepeldak voor hij er vanaf gejaagd zou worden. Met een beetje geluk kon ze dan een moment in zijn ogen kijken…

Want hier, in de droom, waar hij dichterbij was dan ooit, had ze de kracht niet om hem te bezoeken. Ze wist dat het voor eeuwig zou zijn. Maar wat had ze te verliezen? Ze zou met hem samen zijn… zijn verhalen kunnen horen… Zij zou voor hem kunnen zingen, en de harp bespelen… ze zouden samen langs de rivier kunnen wandelen onder de laaghangende paarse wolken, en van de flakkerende lichtjes van de verlaten stad genieten.
Ze zou zich niet schamen voor het feit dat ze slechts gekleed ging in haar nachtjapon en dat haar fijngevormde voeten niet getooid gingen met duur schoeisel; ze zou zich er vrij en veilig in voelen, met hem aan haar zijde. Ze zou hem het spinnenweb laten zien, en als hij het aandachtig bekeek zou ze zijn arm voorzichtig vastpakken en zich tegen hem aandrukken. Hij zou zich naar haar omdraaien, haar een zacht kus op haar neus geven en haar knuffelen…
En ze zouden nog lang en gelukkig leven. Dát was voorbestemd; dat was de kracht van hun onvoorwaardelijke liefde die grenzen en rijkdom en klassen overschreed – en leven en dood. Het was hun genegenheid die dit landschap had doen ontstaan en haar onderhield, hun energie die haar stoffelijk maakte in de droomwereld. En zijn zwartgranieten toren met de zware poort beschermde haar, want erachter lag geen weg terug meer. Dan was er slechts hun wereld, hun droom, henzelf. Niets anders meer – en Roanna wist het.

Prinses, U moet wakker worden… hoorde ze van ver weg. Hoe vaak nog zou ze het ontwaken verdragen? Hoe lang nog zou ze haar holle bestaan kunnen aanvaarden, in de spiegel kunnen aanzien hoe het licht in haar ogen vervaagde en hoe haar leven wegsijpelde, haar ziel wegkwijnde – hoelang nog zou ze enkel leven om terug te keren naar de droom?

Ruw werd er aan haar arm geschud. Haar bedienden vreesden de koning nog meer dan de prinses; Roanna’s nukkigheid en misprijzen verbleekten bij de gramschap van haar vader. En de koning zou zeker vertoornd zijn, wanneer de bedienden haar te laat aan het hof brachten voor gezamenlijk ontbijt.
De weldadige bries zwol aan tot een huilende storm, en sneeuwkristallen daalden op haar neer, stekend als naalden. De purperen gloed van de zon vlak boven de bergen, en de zilveren schitteringen in de rimpelende rivier groeiden tot een koud, witgeel licht dat van de werkelijkheid door een spleetje stroomde in haar zich openende oogleden. De kalme, roze wolken die zich traag vermengd en rondgewenteld hadden, pakten zich samen tot een solide plafond dat haar verstikte en angstig maakte. Haar droomwereld – hun droomwereld – werd ruw verstoord, dacht ze verdrietig; vernietigd door een realiteit die Roanna plotsklaps als kwaadaardig en onrechtvaardig toescheen.

Ze aarzelde nog een moment, en toen hoorde ze de stem van de zwerver weer in haar geest: Alsjeblieft, Roanna, laat ons niet nog langer wachten… voeg je bij mij, en laat ons hier in vrede toeven!
De jonge vrouw die nimmer meer een prinses wilde zijn en nooit meer beroofd van haar dromen, haalde diep adem en stak haar ranke vingers uit naar de linker deurklopper. De ogen van de leeuwenkop keken haar goedaardig aan; de gouden pupillen glansden met het geruststellende purper van de droomzon. De bek van de koperen kop vertrok zich in een goedkeurende grijns toen Roanna, niet langer bevreesd, met de bol die onderaan de ring zat op de deur bonsde.

De stemmen aan de andere kant van de sluier van het bestaan klonken nu steeds ongeruster, maar stierven toen weg; overstemd door het galmende geluid van de deurklopper. Het koude, witgele licht om Roanna heen vervaagde naar het zachte, warme oranje als van zonlicht dat door haar gesloten oogleden vloeide. Toen braken de lieflijke paarse stralen van de droomzon weer door een gat in het kolkende donkerroze wolkendek, en in de wakende wereld sloten Roanna’s oogleden zich voor eeuwig.

In het droomlandschap met de zwarte toren keerde de rust terug; de koude wind ging liggen en de laatste sneeuwvlokken dwarrelden naar de grond. En met een donderend geraas en snerpend piepende scharnieren opende de oeroude poort van de zwarte toren zich. De leeuwenkoppen keken haar beiden aan toen ze naar binnen zwenkten, hun respectievelijke deuren door een onzichtbare hand geleid.
Toen de stilte was wedergekeerd, hoorde Roanna nog de echo wegebben van haar verwoedde kloppen op de deur. Langzaam vermengde het zich met het rustig kabbelen van de zilveren rivier, en het ruisen van een zacht briesje.

De hal achter de poort was donker en leeg; rijen met bewerkte zuilen vormden een uitnodigende gang, en Roanna bemerkte dat ze geen angst of ongerief meer kende. Slechts nieuwsgierigheid, hoop en zielsrust restten haar. Ze betrad de toren.
“Welkom, Roanna,” sprak de zwerver toen. Niet langer in haar geest; maar in de droom. “Ik ben blij dat je zo dapper was hier te komen. Welkom in onze droom.” Zijn stem was mooi en vol, en er klonk een toon in door van een jonge man die vele verhalen had verteld. Roanna vermoedde dat veel van die verhalen gingen over een lieftallige prinses die hij bewonderde in de stad bij de rivier, en die hij eens tot de zijne zou maken…
De zwerver stapte achter een versierde marmeren pilaar vandaan. Uitnodigend strekte hij zijn armen uit, en Roanna nam het gebaar aan. Zonder haast liep ze op haar prins af – de prins van een vrouw die geen prinses meer hoefde zijn. En zonder haast; want ze hadden nu alle tijd van de wereld.
“Wat is deze plaats?” fluisterde Roanna zachtjes, maar haar woorden echoden tussen de zuilen en weerkaatsten tegen de granieten muren om een zuiver klankspel te spelen.
“Dit is de plaats die ik in jouw dromen bouwde,” antwoordde de zwerver. “Waar ik op je wachtte.”
Ze glimlachte gelukkig. “Je hoeft niet langer te wachten; doch het spijt me dat het zo lang duurde. En nu?”
De zwerver beantwoorde haar betekenisvolle blik, en hield zijn hoofd schuin. “Wat we maar willen,” antwoordde hij.
“Ik wil je naam weten,” verklaarde Roanna, maar stak direct een slanke vinger uit om tegen zijn lippen te drukken. “Maar nog niet!” waarschuwde ze dartel. Een spel zou alles des te zoeter maken. “Eerst wil ik je iets laten zien.” Ze nam voorzichtig zijn hand, als om de betovering van het moment, de droom der dromen, niet te verstoren.
“Wat wil je me laten zien?” vroeg hij belangstellend, terwijl ze hand in hand, zij aan zij in de richting van de poort liepen. Buiten was het plotsklaps herfst geworden; dezelfde paarse zon schitterde in de nu speels stromende rivier, maar in plaats van sneeuw lag er nu een tapijt van bladeren. Kleurige paddestoelen staken er doorheen, en elfenbankjes gedijden aan de schors van bomen.
“Een spinnenweb,” beantwoordde ze zijn vraag geheimzinnig. Ze lachte hardop, gelukzalig en vrij. “En de rest van mijn droom!”
Een vlinder fladderde voorbij, en de twee geliefden keken het diertje een hele tijd na voordat ze hun weg langs de rivier vervolgden. Ze hadden van nu af aan alle tijd, die ze maar nemen wilden.

In de wakende wereld treurde het volk van de stad nog lang om de mooie, lieflijke prinses Roanna met de gouden stem – wiens hart zo plotsklaps, tijdens haar ontwaken, tot stilstand was gekomen. Veel minder mensen rouwden om de zachtaardige, bereisde zwerver die aan de voet van het altaar in de tempel werd gevonden door een priester. Toch zouden ook veel arme sloebers en marktlieden zijn verhalen en zijn streken missen.

Er was niemand die het verband zag tussen de twee zo verschillende jonge lieden die op hetzelfde ogenblik hun lege werkelijkheid hadden verruild voor de rijke eeuwigheid. Er was niemand die wist hoe gelukkig zij nu waren, samen in hun droom. Dat deerde Roanna en haar prins niets: ze hadden hun rust eindelijk gevonden. En elkaar.



Reacties:
Je kunt de eerste zijn met een reactie.


© programmatuur en design 2006-2008 pieter
(v. 1.0 )